Stoornisdenken: de visie van Laura Batstra

Op maandag 7 januari is door Dr. Laura Batstra (associate professor, RUG) een lezing verzorgd over 'Stoornisdenken'. Zij deelde haar visie op het labelen van kinderen en gaf inzicht in de wereld van stoornissen en labels. Ook schetste zij een beeld van de gevolgen van het labelen voor kinderen, ouders en leerkrachten. Deze blog omschrijft de kern van de lezing.

Stoornisdenken

De afgelopen jaren heeft het stoornisdenken in Nederland een enorme vlucht genomen. Er komen steeds meer stoornissen. Even wat cijfers:

  • Autisme: in de jaren 90 circa 1 op de 500, in 2014 1 op de 33
  • ADHD: gebruik medicatie in 10 jaar verviervoudigd, 1 op de 23 (2014)
  • Angststoornis: voor 1980 bij kinderen 'normaal'. Nu 1 op de 7 (2017)

Het vakhandboek voor psychiatrische stoornissen (DSM) is gegroeid van 106 stoornissen in de eerste versie van 1953 tot meer dan 400 in de laatste versie van 2013. En ‘Still counting’. Niet alleen het aantal stoornissen groeit. Ook binnen een stoornis neemt het aantal gelabelde personen toe.

Van gedrag naar label

Om een bepaald label te krijgen (bijvoorbeeld ADHD) moet een kind aan bepaalde critera voldoen.

  • heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel te houden
  • wordt vaak gemakkelijk afgeleid door externe prikkels
  • lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct aangesproken wordt

Op zijn zachts gezegd: nogal subjectief (it's in the eye of the beholder, een persoonlijke mening). Harder geformuleerd: hoe vaag wil je het hebben? En als je drie keer in de week driftbuien hebt, wijst dit dan richting het etiket Disruptive Mood disregulation disorder (Dmdd)?

Diagnostische inflatie

Meer labels/etiketten en veel vage en subjectieve beoordelingen zorgen voor diagnostische inflatie. Natuurlijk zijn er kinderen met ernstige problemen (20%) en is het goed dat dit wordt erkend en benoemd. En dat voor deze kinderen de juiste zorg beschikbaar is. Er is echter ook sprake van een grijs gebied: ongeveer 50% heeft milde problemen en 30% matige problemen. De vraag is of je deze kinderen allemaal van een etiket moet voorzien of dat er ook andere manieren zijn om deze kinderen te helpen.

Laura Batstra vertelt hoe zij zich vroeger ergerde aan het gesmak van haar vader aan tafel. Zoals veel pubers vond ze dat ergerniswekkend. En nu opeens is er een naam voor: Misofonie, haat tegen specifiek geluid, een stoornis die nog niet in de DSM staat. Er zijn mogelijke criteria, er is een persoon die er over vertelt in de Libelle die er erg veel last van heeft, er blijkt een bekende Nederlander te zijn die er aan lijdt en er komt een (eerste!) symposium over. Kortom: het bestaat. Ongetwijfeld is er een onderzoek waaruit blijkt dat de ergernis waarneembaar is op hersenscans. Kortom: Misofonie komt eraan.

Woorden en etiketten

De woordkeuze is belangrijk. Of zoals een leerkracht het verwoordt: “Als een kind ‘niet zo goed in lezen of rekenen is’, dan spuug ik in mijn handen en ga ik aan de slag om te kijken hoe ik hem/haar kan helpen. Als een kind zegt dat hij/zij verdrietig of somber is, ga ik met hem/haar in gesprek. Als iemand mij vertelt dat een kind dyscalculie, dyslexie of een depressie heeft, kijk ik naar de medicus, de orthopedagoog of de psycholoog en blijf ik uit de buurt. Want er is al iets mis. Het kind heeft pillen nodig en een dokter. Geen leerkracht. Maar ik heb ze wel in de klas”. Kortom: als je andere woorden gebruikt, verandert de wereld mee.

Gedrag of (erfelijke) hersenafwijking

Volgens Batstra werkt dit als volgt: bepaald gedrag krijgt een naam, groeit uit tot categorie en vervolgens is het 'opeens' een erkende hersenaandoening. Vaak ook nog erfelijk. Bij de wetenschappelijke onderbouwing zijn nogal wat kanttekeningen te plaatsen. De Radboud Universiteit heeft de hersenen van maar liefst 1713 mensen met een diagnose ADHD vergeleken met de hersenen van 1529 mensen zonder diagnose. Op groepsniveau bleken vijf hersengebieden gemiddeld genomen een paar procent kleiner in de ADHD-groep. Verschillen in groepsgemiddelden kunnen nooit klakkeloos vertaald worden naar het individu, omdat ze voor de meeste individuen in de groep vaak niet gelden. De kans dat je op basis van een hersenscan kunt zeggen of iemand wel of geen ADHD heeft ligt 1 á 2 procent boven gokkans.

En wat doen 'de media'

Het gaat dus om ‘geen of een verwaarloosbaar effect’. En op basis daarvan stelt het NOS Journaal van acht uur op 16 februari 2018 dat ‘onderzoek nu aantoont dat je ADHD kunt zien op hersenscans, juist bij kinderen’. Dit wordt weer overgenomen door andere media en het wordt gebracht als 'de waarheid'.

Een publicatie in The Lancet Psychiatry heeft als titel 'People with ADHD have smaller brains'. Een betere kop zou zijn geweest: ‘Peperdure hersenstudie vindt nauwelijks verschil tussen mensen met en zonder de diagnose ADHD’. Dit type titels is echter niet aantrekkelijk voor wetenschappelijke tijdschriften omdat ze tot minder citaten en media-aandacht leiden.

Door de biomedische hoek worden gedragsproblemen neergezet als hersenproblemen en erfelijke hersenaandoeningen. De vraag is of kinderen hiermee geholpen zijn.

Meer druk vanuit de maatschappij en ouders

Als je om je heen kijkt zie je dat het competitiedenken overal is vertegenwoordigd. Wie is de slankste, slimste, beste, mooiste, meest gezonde… etc. Als je dan gedragsproblemen hebt, wordt de druk opgevoerd. Bij het kind: ik ben anders, ik doe het niet goed, ik moet veranderen, etc. En bij de ouders: er moet iets gebeuren of een verklaring worden gezocht. De druk op leerkrachten en interne begeleiders neemt toe. Ouders hebben liever een kind met dyslexie (een onschuldverklaring) dan gewoon een kind dat niet zo goed kan lezen. Dat klinkt als een ‘dom kind’. Ook scholen zijn in toenemende mate met elkaar in competitie als het gaat om resultaten en scores. Kinderen met etiketten vormen dan een welkom excuus voor 'mindere' resultaten.

Medicijnen

Voor kinderen met ernstige problemen kunnen medicijnen een oplossing zijn. De resultaten op korte termijin zijn vaak positief. Op lange termijn helpt het niet verder. Ook zijn er risico's en bijwerkingen (groeivertraging bij kinderen). Soms is het echter het enige alternatief.


Probleem volgens Batsra

Vanuit de biomedische hoek veranderen gedragsproblemen in hersenproblemen en erfelijke hersenaandoeningen. De oorzaken worden bij het kind neergelegd en dit kind kan zich gaan voelen en gedragen naar zo'n ziektelabel. De relationele en maatschappelijke factoren zijn onderbelicht. Door het oprekken van de bandbreedte krijgen teveel kinderen een etiket met een stoornis.


Conclusies Batstra

  • Stoornissen leggen ‘de schuld’ en de oplossing allebei eenzijdig bij ‘de gestoorde’ of ‘de geëtiketteerde’, in dit geval het kind. De vragen die we onderzoeken zou ook kunnen zijn: Waarom hebben we last van dit gedrag? Hoe kunnen we dit kind helpen? Dan komt de focus te liggen op de omgeving. In plaats van op het kind.
  • En een andere taal, andere woorden gebruiken geeft hoop. Iemand die bang is wil je helpen, iemand met een angststoornis heeft een pil of een dokter nodig.

Visie IJsselgroep

Psychologische Dienstverlening IJsselgroep omarmt 'anders kijken naar stoornissen’. De kansen om meer kinderen sneller te helpen bevinden zich in het 'grijze gebied’. De meeste impact hebben wij vanuit de driehoek ‘kind, school en ouders’. Natuurlijk stellen wij regelmatig stoornissen vas. Net zoals wij tijdens onze contacten met ouders, scholen en gemeenten iedere dag invulling geven aan het 'anders denken'.

Meer informatie 

Heeft u vragen of wilt u meer weten over labeling of wilt u in gesprek over uw kind, een leerling of uw eigen rol als leerkracht/IB'er? Neem dan contact op met Hansje Planjer, gedragswetenschapper en manager psychologische dienstverlening bij IJsselgroep, via 06 - 14 34 58 87 of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


Dr. Laura BatstraLaura Batstra rond

Laura Batstra (1973) studeerde in 1997 (cum laude) af in de psychologie. Daarna werkte ze als psycholoog in het Universitair Medisch Centrum Groningen aan verschillende projecten op het gebied van de indirecte patiëntenzorg. Eind 2004 promoveerde zij op het proefschrift ‘Difficult birth, difficult life?’ Daarna werkte ze als behandelend psycholoog in een instelling voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie.

Sinds 2010 werkt Batstra als onderzoeker en docent bij de afdeling Orthopedagogiek van de RUG. Daar geeft zij o.a. het vak Psychopathologie Kind en Jeugdigen. In haar onderwijs aan studenten kan zij putten uit haar therapeutische ervaring en haar wetenschappelijke onderzoek.

Batstra doet onder meer onderzoek naar methoden om psychiatrische overdiagnostiek te voorkomen zonder onderbehandeling te riskeren. ‘Wanneer je hulp en begeleiding biedt aan volwassenen in de omgeving van een als problematisch ervaren kind, kan het kind in veel gevallen de nadelen van een psychiatrische diagnose bespaard blijven.’ In 2012 verscheen van haar het boek ‘Hoe voorkom je ADHD? Door de diagnose niet te stellen’, waarin ze pleit voor een andere aanpak van adhd-problematiek. 

Batstra is als onderzoeker betrokken bij het project Druk & Dwars. In dat verband heeft ze subsidie ontvangen voor een project waarbij kinderfeestjes voor de hele klas georganiseerd worden, om sociale uitsluiting van kinderen tegen te gaan.

Batstra is Associate Professor aan de Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen van de RUG.

© 2017 IJsselgroep Psychologische Dienstverlening
Realisatie door Groene Tomaat Marketing i.s.m. Welldotcom - Puntgaaf Internetbureau